Indisch in hart en ziel…

Ik ben Indisch. Al mijn hele leven groei ik op met twee culturen. Toen ik nog veel jonger was zei ik altijd dat ik opgroeide tussen twee culturen. En zo voelde het vaak ook. Want je groeit letterlijk op tussen de Hollandse en de Indonesische cultuur. Geboren in Gouda, de Nederlandse kaasstad. Opgegroeid aldaar en gestudeerd in Leeuwarden tussen de Friezen.

In huis de gebruikelijke Indische en Indonesische gebruiken. Van de fles op de wc, bottle tjebok, tot het eten met de rechterhand en niet met de linkerhand. De krontjong muziek en de Indorock waar vrolijk op gedanst werd. En je oma die altijd gelijk had, ook al had ze dat niet. Later ontdekte ik dat mijn oma wel altijd gelijk kreeg, maar dat ik toch echt mijn baas niet automatisch uit respect gelijk moest geven.

Op mijn 16e ging ik voor het eerst naar Indonesië op vakantie. De eerste stappen uit het vliegtuig kan ik nu 22 jaren later nog zo voor de geest halen. Het gevoel, de geuren en de warmte…het enige wat ik kon zeggen was: “Ik ben thuis! Dit is wat ik gemist heb al die 16 jaar! Dit stukje is wat er miste. Mijn andere thuis!” Tijdens de 6 weken durende reis door Java en Bali vond ik mijn andere (Indonesische) ik. Dat was zo indrukwekkend dat ik toen een artikel had geschreven voor een Indisch magazine.

Ik begreep toen pas hoe ik mij mijn hele leven had gevoeld. Het waarom je je zo anders voelt, het waarom je telkens moet uitleggen dat je dingen doet zoals je gewend bent, waar dat vandaan kwam, wat je cultuur is. Ik vond mijzelf daar. Compleet. En ik begreep dat ik niet tussen twee culturen leefde, maar met twee culturen.

Elk jaar ging ik vaak naar de Pasar Malam in Den Haag. Het stukje waar ik mij thuis voelde, waar mijn twee culturen samen kwamen. Waar ik andere Indische mensen ontmoette. Dat voelde als een eigen landje.

Toen ik net getrouwd was, kreeg mijn man een baan in Jakarta en we verhuisden daarheen. Ik dacht daar mijn Indische ik meer te kunnen zijn en meer Indische dingen te kunnen ervaren. Vooral de cultuur. Maar het werd me in die jaren duidelijk dat Indisch zijn niet direct Indonesisch zijn betekent en is. Je vind wel elementen van de Indische cultuur terug, maar daar in Jakarta miste ik Nederland. Ik miste mijn Nederlandse cultuur. Want die vond ik daar niet compleet. Het enige wat typisch Hollands was, was ik. In mijn gedrag, in mijn denken en mijn doen. Ik ontdekte dat ik Hollandser ben dan ik had gedacht. Maar waar voelde ik mij dan wel echt Indisch behalve op de Pasar Malam in Den Haag?

Inmiddels wonen we in Maleisië. Toen we drie jaar geleden naar Kuala Lumpur verhuisden, besefte ik echt goed dat ik niet alleen Nederland gedag zei, maar dat ik ook een stukje “Indisch land” gedag zei. Een stukje dat ik nergens ter wereld zal kunnen vinden. Ook niet in Indonesië zelf, want ik ben in Nederland opgegroeid. En de Indische mensen hebben immers geen land meer.

En net op het moment dat ik eigenlijk best een beetje melancholisch werd over het feit dat Indische mensen geen land meer hebben, nooit hebben gehad misschien wel, kwam er middenin Kuala Lumpur een hoog blonde Hollandse meid op me af. En ze zei: “Hey, ben jij Indisch? Ik ben een tiende ergens Indisch. Kan jij ook je duim 90 graden naar achter doen?”

Vol stomheid geslagen liet ik haar mijn achterover slaande duimen zien en ze riep dol enthousiast: “Jaaaaaa, jij hebt ook de Indische duim! Jij bent ook echt Indisch!”

Ik ben trots op wie ik ben. Ik ben trots op mijn roots. Ik ben trots op wat ik mijn kinderen mag meegeven en mag leren. Indisch zijn is wie je bent, is wat je doet. Indisch zijn is hoe je praat, wat je eet, je gewoonten, je gebruiken, de muziek die je luistert, de potjoh potjoh die je danst, je achterover slaande duim, de fles op de wc, de jive dansen op Indo rock, is vele tantes en ooms hebben.

Indisch zijn is zoveel meer. Is twee culturen rijk zijn. De Indische cultuur die in mijn hart en ziel leeft en die ik doorgeef aan mijn Indische kinderen opdat het doorleeft in de toekomst waar ook ter wereld!

End of year party

Zo aan het einde van het schooljaar houden ze een eindejaarsfeest. Iedereen uit de klas neemt een schaal mee met eten en ook wat drinken. En natuurlijk trek je dan je party outfit aan. Dus ik zei: “Mama zal even je nette ruitjes blouse strijken voor morgen en trek je daarbij je nette zwarte schoenen aan?”

Nou daar zat ik echt totaal fout mee.

Het (bijna ontplofte van verbazing) antwoord was: “Ben je helemaal gek geworden?! Het is een end of year party! Dan ga je niet netjes. Het is geen formele gelegenheid! Geen awards uitreiking, maar een party. Dat betekent, mama, dat ik dan mijn zwarte Metallica shirt draag met een gescheurde spijkerbroek en trainers. Zo doen we dat. We are guys, mama, and we ROCK! YEAH!”

Lach, het maakt niet uit wat je draagt!

I love my frizzy hair.

I love that I can’t walk on high heels or any tiny heels at all.
I like to wear my palladium boots or any kind of boots under a charming dress.

And I feel so good with my frizzy hair and boots in a summer dress that I smile straight from my heart to yours.

And if I smile….you’ll totally forget and don’t even see what I’m wearing…..

Later als we groter zijn, of nu?

Worden

Wat wil je later worden? Is een veel gestelde vraag van volwassenen aan kinderen. Dat begint vaak al op de peuter of kleuterleeftijd. Ik wilde als kleuter naast brandweervrouw ook ballerina, kapster, juf en professor in een witte jas met zwarte bril worden.

Kapster zette ik gauw opzij. Ik was 4 jaar en had de haren van mijn opa geknipt. Dat hij dat toeliet vind ik nu nog ongelooflijk moedig. Want nadat ik klaar was, had hij overal plukken haar op zijn hoofd met ook overal kale plekken.

Tegen de tijd dat ik bijna 5 jaar oud was, wist ik het zeker; ik wilde mama worden en in Indonesië gaan wonen. Dat vertelde ik iedereen. Later als ik groter ben….Toen ik negen was, wist ik zeker dat ik Rechter zou worden en zo niet dan werd het Psycholoog. Mijn gedachten over welk beroep ik zou uitoefenen wisselden tot ik afgestudeerd was als bestuurskundige.

“Alleen maar mama”

Ik weet nog goed dat mijn mentor mij feliciteerde met het behalen van mijn Bachelor titel en vroeg: “Wat ga je nu worden?” Dat was net zo’n vraag als toen ik 4 was, wat wil je worden, wat ga je doen als je groot bent. Ik zei: “Ik ga op vakantie. Ik wil trouwen en mama worden. Voor de rest gewoon een leuke baan en wat ik ga doen als beroep dat zie ik wel wat er op mijn pad komt.”

De man viel bijna van zijn stok af, want zo zei hij, het was toch onmogelijk dat ik ‘alleen maar’ moeder wilde worden na een complete studie te hebben gedaan. Dan had ik immers niet hoeven te studeren als ik dit alleen maar wilde!

Wat wil je worden? Staan we er wel bij stil wat die vraag voor effect heeft? Wat leren we onze kinderen? Dat ze iets of iemand moeten worden. Dat ze iets moeten bereiken. Dat het leven anders niet waardevol is. Dat je als je gestudeerd hebt je ook carriere moet maken, dat je het dan pas ver geschopt hebt. Dat het pas zo is als je het grote geld binnen haalt. Een status hebt waar iedereen tegenop kijkt. En wanneer je niet die ambitie hebt, je ook niet hoeft te studeren. Dat je studie alleen nodig is om wat of iemand (anders) te worden?

Wat zeggen we daarmee? Wat zegt dat over de verwachtingen die we hebben van onze kinderen, van hun toekomst en van de toekomst van onze wereld? Bovenal wat zegt dat over ons? Over onze eigen verwachtingen van ons leven? Hoe staan wij in het leven en wat geven we daarvan door?

Begrepen

Begrijp me niet verkeerd. Ik ben heel erg voor om je talenten te benutten en jezelf uit te dagen. Om keihard te werken en door te gaan. Om niet op te geven. Ik geloof ook dat als je iets wilt doen, het je ook gaat lukken of je een manier vindt. En ik vind zeker dat als je de kans hebt, je moet studeren. Om jezelf te ontwikkelen en je kansen in de wereld te vergroten. Maar dat kan op veel verschillende manieren.

Hoe jong mijn kerels ook waren ze hadden het beter begrepen dan toen ik 5 jaar was. Een paar jaren geleden namelijk kreeg mijn jongste ook de vraag: “Wat wil je later worden? Zeker politieman of brandweerman?”

Zijn antwoord was heel treffend: “Ik ga gewoon studeren waar ik goed in ben en gewoon werken. Ik blijf mezelf. Ik hoef niet ‘iets’ te worden, want ik ben al iemand.” De mevrouw die de vraag had gesteld, hield haar mond mooi open van verbazing. Mijn oudste vroeg haar direct:

“En trouwens mevrouw…..wat wilt u later worden?”